Het binnenplein (kortverhalen 2)

Geen van mijn eerste vruchten ging verloren, toen de vorst eindelijk gekomen was. De kinderen vochten er elke speeltijd om, wie nog geld had kocht er van de paters, en er kwamen meer en meer mensen ’s nachts over de muur gekropen en naar me toe geslopen om hun zakken of manden te vullen. De paters maakten er gelei, sterke drank en geneesmiddelen van, maar ook vers zijn mispels een feestmaaltijd voor de maag die niet veel meer dan gerantsoeneerde chicoreiwortelkoffie, van afgekloven botjes getrokken bouillon en broodkorsten gepresenteerd krijgt. Ook in het bos aan de andere kant van de muur was geen takje of vrucht meer op de grond te vinden. Het waren barre winters.

Hoe kleuriger de mensen zich begonnen te kleden, hoe meer mispels er bleven liggen rotten op de stenen, en inmiddels ook aan de andere kant van de muur. Toen de laatste paters waren overleden, bleven hun verblijven leegstaan. Nadat alle ruiten waren ingegooid, werd het complex grondig gerenoveerd. Een gebouw werd ingericht als ontmoetingscentrum en enkele andere deden dienst als kantoren en opslagruimtes. Het schooltje is er altijd gebleven. Mijn vruchten werden enkel in bijzonder strenge winters nog gegeten door de vogels. Geërgerd harkte de conciërge ze elke morgen bijeen om ze in een groene plastic bak te doen verdwijnen.

Op een dag bleef een wandelaar verrast staan bij het zien van de hoop gevallen mispels aan de kant van het bos. Hij at er enkele en was verrukt. Later kwam hij terug, eerst een paar keer om zijn plastic potjes te vullen, daarna met een schop om een zaailing uit te steken en daarna met enkele vrienden, die hij de laatste exemplaren van dat jaar liet proeven en tegen wie hij verontwaardigd opmerkte “dat ze hier gewoon lagen te rotten.”

De wandelaar overlegde de volgende herfst met de directeur. “Pak al die vuiligheid maar mee! Het is alleen maar omdat je hem niet uit de grond krijgt, dat ik hem laat staan. En zo’n stomp is ook geen zicht.”  Toen de vrienden van de vrienden van de wandelaar ook om mispels kwamen vragen, was voor de directeur de maat vol. Hij trommelde een klusjesman op, zodat ik in de vrije natuur terecht kwam, in een potsierlijke u-vormige inham in de muur.

De volgende lente werden mijn bloemen bewonderd en gefotografeerd door groepen natuurliefhebbers, en in de herfst kwamen ze genieten van mijn kleurenpracht. Het bosje moest eraan geloven ten voordele van de zoveelste villawijk, maar veilig in mijn inham mocht ik blijven staan. De mispels werden gretig geoogst door mijn trouwste bezoekers. Ze noemden zichzelf een ‘transitiebeweging’, en mijn wandelaar bleek de voorzitter. Een van hen probeerde vastberaden nieuwe boompjes op te kweken uit zaad, wat haar meerdere jaren van experimenteren kostte, want ze kiemen niet gemakkelijk.

Het was jaarmarkt op het binnenplein, en vlakbij mijn inham werden door de transitiebeweging allerlei van mispels gemaakte producten uitgestald: gelei, mousse, cake, likeur en zelfs sorbet. De mensen mochten ervan proeven en konden zaailingen kopen. Tegen de avond was alles op, inclusief de stapel folders met informatie en recepten.

De jaren verstreken. De kinderen leerden moestuinieren op de speelplaats, net als de kantoorklerken, die ’s middags workshops rond duurzaam leven organiseerden na de revolutie waarin ze op leven en dood hadden gestreden voor de 20-uren-werkweek. Het lawaai van auto’s, grasmaaiers, vliegtuigen, brommers, bussen en dieseltreinen begon te verstommen. Op de jaarmarkt werd geruild, gedeeld, gerepareerd, geïnformeerd en gerecycleerd. Het werd een wekelijkse markt. De schoolkinderen speelden en lachten weer samen, in plaats van elkaar de loef af te steken met hun gadgets en merkkledij. De volwassenen had ik nog nooit zo ontspannen weten rondlopen en -fietsen.

Wanneer er zich nog een auto in het stadje waagde, werd hij bekogeld met selfiesticks, elektrische tandenborstels, digipassen, dozen wegwerpdoekjes en al die andere troep die niemand nog in zijn huis wilde. Het stadbestuur liet alles inzamelen, recycleerde het meeste en richtte een museum in in één van de gebouwen rond het binnenplein. Het museum heet “De eeuw van de waanzin” en het staat er nog steeds. Het dient vooral educatieve doeleinden. De kinderen en studenten komen telkens weer onthutst buiten.

De verlaten villawijk werd gesloopt en maakte plaats voor een lappendeken van tuintjes, poelen, perceeltjes met fruitbomen, braakliggend terrein, bloemenweiden, bosjes en ontmoetingsplekken. Hier en daar groeit een mispelaar.

 

 

Zet ik me voor het eerst eens echt aan een verhaaltje om mee te doen met een schrijfwedstrijd, win ik tweede prijs… 🙂 Dank aan Ecopolis!

11180110_10206581747052529_1972771766_n

Standaard

3 gedachtes over “Het binnenplein (kortverhalen 2)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s