Ex-roker

Nu ik meer dan twee maanden vrij ben, gun ik me een schouderklop en de titel van dit stukje. Ik doe mijn uiterste best om geen verzuurde anti-roker te worden, dus ik heb zeker niet de bedoeling om hier een pleidooi tegen tabak van te maken. Ik wil even neerpennen hoe het was en is, nu het nog vers in het geheugen zit. Allicht doe ik het uit egoïsme, want op een moeilijk moment kan ik het herlezen. Is er ooit een volstrekt ego-loze of volgens de regels van de kunst compleet objectieve daad gesteld dan? Iets zonder bijbedoelingen? Een essay hierover zal ik op mijn “ooit eens te schrijven als ik niet weet waarover” lijstje zetten. Dat lijstje bestaat niet, want ik doe maar wat, net als u.

Anyway, mijn toen ongeveer vierjarige neefje vroeg met een verontwaardigde blik, gewoon vanuit puurheid: “Waarom rook jij?” Ik stond met mijn mond vol rook en wist echt niet wat hierop een fatsoenlijk antwoord zou kunnen zijn. Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord. Misschien was die vraag de eerste steen die geworpen werd en raak was. Natuurlijk kijken collega’s, ouders, vrienden, familie, onbekenden en de huisarts naar je met een blik vol emotie die ze maar heel moeilijk kunnen verdoezelen en houden ze zich in om erover te zeuren. Dat wordt verwacht dus dat wordt gedaan. Iedereen is immers vrij om te doen en laten wat hij/zij/xij wil, binnen de perken van de wetgeving, want anders werd het een zootje. De huisarts zegt het wel, wanneer die moet weten of je rookt om de juiste behandeling te kunnen geven tegen je symptomen. Alsof dat niet op het computerscherm staat. Ofwel weet die het maar al te goed maar heeft Hippocrates gezegd: trek ze af en toe maar eens aan hun oor als ge de kans ziet. “Je weet dat je beter zou stoppen.” “Ja, dat weet ik.” Het gesprek gaat verder en je voelt je een wandelende mislukking.

Zoals gewoonlijk.

Tussen rokers, die steeds zeldzamer worden al zou je dat niet zeggen als je in Antwerpen rondloopt, bestaat misschien juist daarom zo’n verstandhouding. Het is een beetje alsof twee mensen elkaar toevallig tegenkomen en beide hebben ze een koffer in de vorm van een viool bij, of zeggen hun honden wel goeiendag tegen elkaar. Dat schept onmiddellijk een band. Zonder dat er woorden nodig zijn, weet de roker: bij deze persoon is het oké. En dat maakt meteen dat de sfeer snor zit. Je geraakt gemakkelijk aan de babbel en zo leer je nog eens wat collega’s kennen. Want je gebruikt dezelfde uitvlucht om buiten te gaan als het je weer eens teveel geworden is en je kunt bovendien nog eens lekker zeuren over de regel dat je uit moet badgen. “Doe jij dat echt altijd?” vroeg er eentje die ook nieuw was. “Nog gewend van de vorige job, geen probleem mee,” zei ik, want dat is het geval, over zo’n prullen doe ik niet moeilijk. Ja, jij daar, die met je tripje naar de printer drie kwartier pauze staat te nemen omdat je in de wandelgang een collega tegenkwam, jij moet niet badgen want jij staat niet naast een asbak. Dat is pas hypocriet maar daar horen we je nooit over, hé? Ik heb geen goesting om daar wel moeilijk over te doen. We zijn immers sociale beesten en een babbeltje helpt ons om het vol te houden. “Wat betekent sociaal?” vroeg mijn neefje. “Dat mensen graag bij elkaar zijn.” Ik denk dat die uitleg correct was.

Nog zo’n plek van sociaal roken is in de kou voor het café of de concertzaal. Wegens vergeten hoe dat was heb ik daar weinig over te zeggen.

Of als je na een bus- of treinrit, werkdag, supermarktbezoek, afspraak enz eindelijk weer buiten stond en verse lucht kreeg. Die lucht vroeg om benadrukt te worden door visueel uit te blazen, of zoiets. Of die eerste ’s morgens, of na het eten. Of gewoon als pauze. Of om een goede afloop te vieren. Of om een slecht moment te onderstrepen. Bij Allen Carr las ik jaren geleden dat alle redenen goed zijn om te roken, en toen stopte ik met lezen want ik was bang dat ik zou moeten stoppen omdat hij gelijk had.

Zoals ik onlangs probeerde uit te leggen: het heeft geen zin om te proberen stoppen zolang je die mentale hendel niet hebt gevonden om hem om te kunnen zetten. Voor mij toch niet. Ik heb ooit één keer geprobeerd, ter hoogte van dat Allen Carr-boek misschien. Ik had het aangekondigd op voorhand dus kreeg zoveel positieve reacties dat ik me al slecht voelde nog voor ik goed en wel begonnen was. Waarom? Maatschappijdruk. Net hetgeen wat de roker door te roken ontvluchten wil. Ik rookte plechtig mijn Laatste Sigaret en stond een dag lang helse angsten uit omdat het de laatste van mijn pakje was geweest. Toen ik uiteindelijk, me een wandelende mislukking voelend zoals gewoonlijk, terugkwam van de nachtwinkel, daalde er een rust over me heen. Waarom? Omdat er weer waren “voor het geval dat.” Toen heb ik de rest van de avond rustig en blij kunnen niet-roken. De dag erop was het om zeep want die afkickverschijnselen zijn niet van de poes. Moeten toegeven dat het al zo rap om zeep was aan mijn supporters, dat was het allerergste, en daarom heb ik geen verdere pogingen ondernomen, denk ik. In onderhavig schrijven is er veel veronderstelling mijnentwege, omdat ik het ook allemaal niet exact weet. Ik ben maar een ervaringsdeskundige, geen psycholoog of andere wetenschapper.

Daarom vertel ik nu over deze keer.

Ik zat bij de huisarts, die ervoor zorgde dat ik niet meer terug moest naar mijn nieuwe job. Aangezien ik op meerdere lagen van mijn bestaan aan de grond zat, besloot ik om alles weer maar eens om te gooien. De kinesist die mijn lijf weer aan de praat heeft geholpen, had ook “rookstopbegeleidster” in haar mailhandtekening staan. Nou, waarom niet. Ze was ervan overtuigd dat ze me gemakklijk van tabak kon verlossen. Vooruit dan maar, alles-in-één-superwoman, carte blanche voor jou!

Eerst moest ik – tegelijk met een eetdagboekje – per sigaret een streepje trekken. “Doe jezelf nog geen pijn,” zei ze, “rook wanneer je drang hebt, maar schrap de categorie van de tweede en/of de derde na elkaar, de heftig-telefoongesprek-sigaret enz.” Na een week had ze er zicht op: ik bengelde ergens tussen gewone en zware roker. Nadat ze te weten gekomen was wat voor type roker ik was, zei dat ik pleisters mocht gaan halen bij de apotheker, en zelfs welke en hoeveel milligram.

Geen plechtig afscheid, geen angsten, gewoon “ik zal dat ding maar eens plakken en zien wat het geeft in de plaats van er weer eentje op te steken.” De bijsluiter vanbuiten leren. In de spiegel de blik negeren van een heroïneverslaafde die met de staart tussen de benen naar de afkick-kliniek zwalpt.

Ik plakte de sticker op een rechtsgeldige plek en ik was in de zevende hemel. Na een uur of drie stuurde ik een sms’je naar superwoman: “Is dit geen veel te zwaar spul?”. “Helemaal oké voor nu,” kreeg ik terug. Nou. Wow. Na drie dagen haalde ik alles uit mijn jaszakken en handtassen waar ik al die jaren zenuwachtig naar getast heb of ik het echt niet vergeten was. Dat voelde bevrijdend, jong, je hebt er geen idee van, tenzij je het zelf hebt gedaan. Omdat ik een wetenschappelijke geest heb, rolde ik op dag vier een sigaretje, deed twee trekjes en merkte verheugd op dat ik het walgelijk vond smaken. Ik deed ze uit en dat was het dan. Gaandeweg, onder begeleiding van superwoman, moest ik uiteraard het nicotinegehalte afbouwen. Van 21 mg per dag naar 14 en nu zit ik al een tijdje op 7. Over een week of twee is onze opvolgafspraak en dan denk ik dat ik de instructie ga krijgen om nog een paar dagen lang de sticker in tweeën te knippen en de helft op zak te houden voor in uiterste nood, zoals we al hebben afgebouwd. Angst om “zonder te moeten”? Nee gij. Grapjas. Zoals gezegd: die knop moet om en dan gaat het haast vanzelf, zeker als je iets krijgt dat de afkickverschijnselen voor zijn rekening neemt. Nog nooit ben ik de farma-industrie dankbaar geweest, maar nu wel.

Niks te uiterste nood. Ik heb bachbloesem-spray in m’n handtas. Die heb ik éénmaal gebruikt omdat ik anders de huisbaas zou wurgen, maar dat had met sigaretten niks te maken. Het hielp.

En ik zie mensen roken, en ik camoufleer mijn medelevende blik. Het doet me niks als ik rook tegenkom aan de bushalte, op straat, wanneer mijn man op het terras een luchtje schept. Wel als hij me wil kussen. Dan moet hij eerst zijn tanden poetsen. Mijn geur- en smaakzintuigen staan op scherp. Mijn conditie gaat erop vooruit, net als het saldo van m’n rekening. Ik ben blij en kreeg onlangs applaus van de familie 🙂

Standaard

Een gedachte over “Ex-roker

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s